Psalm 88:15-16: "[15] HEERE, waarom verstoot U mijn ziel? Waarom verbergt U Uw aangezicht voor mij? [16] Ellendig ben ik en stervende van jongs af, ik draag Uw bedreigingen, ik ben radeloos."
Psalm 88 is de meest deprimerende psalm van de hele psalmbundel. Normaal gesproken heeft een psalm een herkenbaar ritme: Eerst klinkt er angst, verdriet of rusteloosheid, maar dan komt er hoop, troost en redding! Bij Psalm 88 is dat niet zo, de dichter bevindt zich in een ellendige staat en jammert over zijn ziekte. “Ik ben radeloos”, zegt de psalmist. Vervolgens eindigt de psalm niet met hoop, maar met een klacht. Een klacht dat zelfs zijn geliefden en vrienden hem hebben verstoten.
Waarom begeeft deze dichter zich in deze ellendige staat? De dichter van Psalm 88 voelt de schaduw van de dood over zich heen komen. Een ellendige ziekte heeft de dichter waarschijnlijk overtroffen. Een langzame, slopende ziekte.
Als we gezond zijn, zitten we vaak vol levenslust. Je bent bezig met je opleiding, je hebt veel tijd om hobby’s te beoefenen, je gaat vaak naar je vrienden of je bent telkens bij de sportschool te vinden. Als we denken aan zieke mensen, dan koppelen we dat vaak aan ouderdom of halen we onze schouders op. Je denkt dan misschien: “Aman, dat zie ik dan wel weer”.
Maar zijn we ook voorbereid als een slopende ziekte ons leven zou treffen? Een ziekte, waardoor je ineens niet meer kunt doen wat je altijd gedaan hebt? Hoe zou jij reageren als de dokter bij jou een diagnose zou stellen en zeggen: “Sorry, maar je bent niet meer te genezen”?
Je kent het spelletje Jenga misschien wel, waarbij je voorzichtig blokjes moet weghalen zonder de toren om te laten vallen. Een plotselinge ziekte kan voelen als een blokje dat weggepakt wordt, waardoor jouw sterke toren plotseling uit elkaar valt. Misschien ken je wel mensen die je weggevallen zijn, mensen die je dierbaar waren. Mensen die hun weg naar het ziekenhuis moesten maken tussen de witte muren, steriele ruimtes, en lange wachtkamers. Je zag hen verwoest worden door een slopende ziekte. Misschien dacht je wel bij jezelf: Hoe kan een goede God er nou voor zorgen dat dit gebeurt? Je wordt vanbinnen intellectueel uitgedaagd. Wat is dan nog je verwachting? Want, kun je je voorstellen, je bidt om genezing, maar er gebeurt niets? Is er dan nog echt hoop?
Wij hebben allemaal als mens een erfelijke ziekte meegekregen. Een ongeneeslijke ziekte, namelijk de zonde. Het zit in ons hart en als we er niets aan doen, dan gaan we langzaam maar zeker aan dood. Deze ziekte zorgt ervoor dat we gaan mopperen tegenover God en dat we onze eigen wil doen. Het maakt ons ik-gericht en een liefhebber van onszelf. Deze ziekte overkwam ook het volk Israël in de woestijn toen ze gingen klagen tegenover God. Als straf verschenen er giftige slangen uit het zand die de Israëlieten beten waardoor ze stierven aan de dood. Mozes kreeg vervolgens de opdracht om een koperen slang maken en die aan een paal te zetten. Wie er maar ook een enkele blik op deze koperen slang wierp, werd genezen. Zo is het ook met ons, wij worden genezen als wij een blik werpen op Diegene die ook daar hing op Golgotha. Niet een koperen slang, maar Gods Zoon, Jezus Christus. Een blik op Hem, een zucht, een schreeuw, een oprecht gebed. Ja, misschien wordt je dan niet genezen van je lichamelijke ziekte, maar Hij geneest wel je ziel. Waardoor je op een dag de dood in kunt gaan zonder angst maar met blijmoedigheid: “Want gij zijt met mij”.